|
Om dit verhaal beter te begrijpen lees dan eerst het verhaal over replacements.
Wat is nu precies de beschrijving van een
invulserie biljet?
De functie van deze biljetten is gelijk aan die
van replacements.
De drukker (Joh. Enschedé en Zn.) kreeg opdracht van DNB om biljetten in een
zekere oplage te drukken. Dagelijks diende de oplage exact ter grootte van de
oplage te zijn. De biljetten werden ook dagelijks genummerd. Uit
veiligheidsoverwegingen konden eenmaal gedrukte serienummers en letters niet
opnieuw gebruikt worden, en om correcte verantwoording af te kunnen leggen
werden de misdrukken (defecten) vervangen door biljetten die voor dat doel in
eigen oplage apart zijn gedrukt, met afwijkende serieletters. Altijd beginnend
met Z. De volgorde is overigens aflopend, dus beginnend met ZZ, dan ZY, ZX etc.
De eerste invulseries bevinden zich in de serie
100 Gulden 1953, waarbij een reguliere serie als invulserie is aangewezen (BO).
Daarna is men overgestapt op het gebruik van de afwijkende letter Z.
De serie biljetten waarbij we deze methode van
vervangen tegenkomen is de serie Erflaters I: 5
gulden 1966, 10 gulden 1953, 25
gulden 1955 en 100 gulden 1953.
Van de 20
gulden 1955 en 1.000 gulden 1956 zijn
geen invulseries gedrukt (voorzover nu bekend).
Omdat de invulseries in oplage gedrukt werden,
is veel minder gemakkelijk herkenbaar welke variant het exact is. We herkennen
bijvoorbeeld verschillende watermerken in de 10 gulden 1953, hetgeen aanleiding
is aan te nemen dat de invulseries in oplage, maar tussen de reguliere series
door, gedrukt werden.
Heeft u een biljet van het type
"invulserie"? Kijk dan scherp naar de uitvoering van het biljet en
laat mij weten als u afwijkingen herkent ten opzichte van de beschreven
varianten in deze website! Het is namelijk zeer aannemelijk dat er verschillende
subtypen zijn binnen de invulseries!
Ook invulseries werden "compleet"
gemaakt door defecten te vervangen middels replacements. Zodoende zijn ook de
replacements van de invulseries verklaard.
Zie ook Replacements. |